Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (12366.001) Heereweg 255 te Groet

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten daterend vanaf de Bronstijd. In de perioden vóór de Bronstijd had het plangebied een ligging in een waddengebied. Dit dynamische gebied, bestaande uit geulen en zandplaten, bood weinig kansen voor bewoning. Vanaf de Bronstijd kwam het plangebied te ligging aan de rand van het kustduinlandschap (binnen de zogeheten ‘Oude Duinen’). Juist deze randzone/grenszone vormde geschikte bewoningslocaties voor Landbouwers, waarbij de zandgronden geschikt waren als akkerland, terwijl de waterrijke veengronden geschikt waren voor het houden van vee (natuurlijke graslandgebied, hoge biodiversiteit). In de Vroege-Middeleeuwen zijn hoge kustduinen (Jonge Duinen) ontstaan en is er waarschijnlijk ook binnen het plangebied een pakket Jong Duinzand gesedimenteerd. Het plangebied wordt gerekend tot de historische dorpskern van Groet. De eerste melding van Groet dateert uit de 12e eeuw en hier werd in ieder geval al gewoond vanaf de Late-Middeleeuwen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat aan het begin van de 19e eeuw het plangebied al een woonerf betrof en bebouwd was met een deel van de bestaande woning die binnen het plangebied staat. Uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden alleen enkele fragmenten aardewerk opgeleverd daterend vanaf de Vroege-Middeleeuwen. Het aantal onderzoeken is echter vrij beperkt.Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten zien dat er sprake is van een geroerde/verstoorde bodemopbouw tot een gemiddelde diepte van circa 120 cm -mv, bestaande uit bruingrijs tot grijsbruin gekleurd en gevlekt (vermenging met lichtgeelwit gekleurd zand), zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand, welke deels vermengd is met resten/brokjes bouw-/betonpuin en baksteenpuin (machinale baksteenresten). Met een scherpe overgang betreft de onverstoorde bodem direct de C-horizont, in de vorm van lichtgrijsbruin en naar onderen toe lichtbruin gekleurd, zwak siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. Tot een diepte van 300 cm -mv (einddiepte van de boringen) gaat het om duinzand en zeer waarschijnlijk in zijn geheel om Jong Duinzand van het Laagpakket van Schoorl. De verwachting is dat er op grotere diepte Oud Duinzand voorkomt, gevolgd door kwelderafzettingen (Laagpakket van Wormer). Handmatig dieper boren was echter niet praktisch uitvoerbaar. Daarbij zullen er ten behoeve van de nieuwbouw/aanbouw alleen over een vrij beperkt oppervlak vergravingen worden uitgevoerd dieper dan de huidige bouwvoor (tot een diepte van maximaal 70 cm -mv), waardoor dieper gelegen bodemlagen dan ook niet zullen worden verstoord. Antropogeen materiaal is alleen aangetroffen in het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw en bestaat uit enkele fragmenten roodbakkend geglazuurd aardewerk, industrieel wit aardwerk en scherven modern glas aangetroffen, met een datering uit de 19e/20e eeuw, naast enkele subrecent tot recent daterende resten beton- en baksteenpuin (waaronder ook machinale baksteen uit de 2e helft 20e eeuw). Deze resten zijn vanuit archeologisch oogpunt niet relevant. Onder het verstoringsniveau zijn in géén van de boringen archeologische resten aangetroffen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om binnen een diepte van 3 -mv nog restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De hoge verwachting voor de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan bijgesteld worden naar een lage verwachting. Voor de perioden Bronstijd t/m Romeinse tijd blijft de hoge verwachting gehandhaafd, echter eventuele resten uit deze perioden zullen zich op grotere diepte bevinden, ruim buiten de aanlegdiepte van de strook/sleuvenfunderingen tot maximaal 70 cm -mv ten behoeve van de geplande uitbouw/nieuwbouw.Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden tot een diepte van 3 m -mv adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Date Accepted: 26-10-2021

Date Accepted: 2021-10-26

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-z9x-hbjt
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-z9x-hbjt
Provenance
Creator EMILE ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; EMILE ten Broeke (Econsultancy); Econsultancy
Publication Year 2021
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 9424; 8938966; 9963; 1046; 2389
Version 1.0
Discipline Humanities