Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk binnen het rivierduinenlandschap en specifiek op een rivierduin in de nabijheid van waar voorheen het riviertje de Aa-strang afwaterde op de Oude IJssel (ruim voorradige natuurlijke bron van water). In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Ook vanaf het Neolithicum vormde grote delen van het rivierduinenlandschap gunstige locaties voor bewoning en beakkering, zeker de flanken van rivierduinen. De rivierduinen waarop in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd plaggendekken zijn opgeworpen, vormde in het verdere verleden ook de meest geschikte locaties voor landbouwactiviteiten. Een (dik) plaggendek wordt ook verwacht binnen plangebied, gezien het op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal langdurige gebruik als akkerland. Dat er menselijke (bewonings)activiteiten hebben plaatsgevonden in de omgeving van het plangebied, blijkt voornamelijk uit diverse vondsten die gedaan zijn rond begin jaren ’90 van de 20e eeuw tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden en veldkarteringen (o.a. door de lokale AWN). Hierbij zijn vooral vuurstenen fragmenten/gereedschappen uit de Steentijd en aardewerkfragmenten uit voornamelijk het Neolithicum en de IJzertijd aangetroffen. Het laat zien dat het rivierduinencomplex, waar Bontebrug op ligt, gezien werd als een aantrekkelijk/gunstig woongebied voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat binnen het plangebied over het algemeen sprake is van een merendeels intacte bodemop-bouw en bevestigd de ligging binnen een terrasrest van het Pleniglaciale Laagterras, welke is afgedekt met een Wijchen Laag en een in oostelijke richting in dikte toenemend pakket rivierduinzand (de topografie van het rivierduin volgend). De van nature gevormde vorstvaaggrond/holtpodzolbodem (bruine bosgrond) is nog merendeels intact aanwezig. De oorspronkelijke minerale bovenlaag (en mogelijk een beperkt deel van de verwerings-/verbruinings-1Bws-horizont) zal vermengd zijn geraakt tijdens het aanbrengen van het bovenliggende plaggendek en navolgende agrarische bewerking (ploeg- en rooiwerkzaamheden). Het plaggendek is gemiddeld van voldoende dikte om te spreken van een hoge bruine enkeerdgrond. Recente bodemverstorende ingrepen zijn veelal beperkt zijn gebleven tot de huidige bouwvoor. Bewerking van de bodem zal vooral het gevolg zijn van het agrarisch gebruik (tijdens de laatste 200 jaar voornamelijk als akkerland). Enige aftopping lijkt te hebben plaatsgevonden langs de randen van het perceel, waar plaatselijk ook het plaggendek van beperkte dikte is/de huidige bouwvoor vormt.
Op basis van deze bodemopbouw zal het archeologisch potentiële vondstniveau zijn aangetast, maar het potentiële sporenniveau is zeker nog intact aanwezig. Archeologische sporen, indien aanwezig kunnen direct onder het plaggendek worden aangetroffen en bewaard zijn gebleven in het resterende deel van de van nature gevormde vorstvaaggrond/holtpodzolbodem. Dit betekent dat eventuele vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zullen zijn verstoord, maar dat sporen van permanente bewoning (landbouwers) nog wel intact kunnen worden aangetroffen. Archeologische sporen zullen meest zichtbaar zijn in de 1BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 60 en 90 cm -mv. Ook waar enige aftopping heeft plaatsgevonden langs de randen van het perceel kunnen archeologische sporen nog (deels) intact worden aangetroffen (sporen die doorlopen tot in de top van de 1C-horizont).
Het zeefresidu van het opgeboorde materiaal heeft bij verschillende boringen archeologische indicatoren opgeleverd. (In enige mate) dateerbaar materiaal betreft (kleine) fragmenten laatprehistorisch aardewerk (meest waarschijnlijk IJzertijd) als ook een fragment laatmiddeleeuws Kogelpotaardewerk. Verder is een vuursteen afslag, een ijzerslak en een fragment/brokje houtskool aangetroffen. Het vondstmateriaal is aangetroffen in het plaggendek en zal door verspitting/ploegwerkzaamheden zijn verplaatst (geen ligging meer in situ), maar het vormt wel een duidelijke aanwijzing op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, waarbij direct onder het plaggendek nog een (merendeels) intact archeologisch sporenniveau kan worden aangetroffen (archeologische sporen met in de vulling nog in situ gelegen vondstmateriaal). De datering van het vondstmateriaal kan wijzen op een vindplaats uit verschillende archeologische perioden.
Conclusie
Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning en de daarbij aangetroffen archeologische indicatoren wordt geconcludeerd dat de kans reëel blijft dat er sprake is van een archeologische vindplaats. Het vondstmateriaal zal representatief zijn voor het eventueel aanwezige sporenniveau die meest duidelijk zichtbaar wordt verwacht direct onder het plaggendek, op een diepte vanaf gemiddeld 50 cm -mv. Door de voorgenomen ingreep (nieuwbouw van flexwoningen) zal binnen het plangebied de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats dan ook worden verstoord.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Behoud van de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Behoud in situ van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats is alleen maar mogelijk als bodemingrepen niet dieper gaan dan circa 20 cm minus huidig maaiveld. Er dient een dikte van circa 30 cm van het plaggendek behouden te blijven als bufferzone en conserveringslaag van het onderliggende potentiële archeologisch sporenniveau, dat direct onder het plaggendek nog merendeels intact wordt verwacht. Door de initiatiefnemer dient bepaald te worden of het economisch rendabel is om het inrichtingsplan zo aan te passen dat toekomstige graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw van de woningen niet dieper gaan dan 20 cm minus huidig maaiveld. Dit geldt dan ook voor de aanleg van kabels en leidingen.
Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door de heer D. Kastelein, d.d. 21 februari 2023). Met bovenstaand advies wordt ingestemd. Verder is aangegeven dat het onderzoek op juiste wijze is uitgevoerd. Tijdens het onderzoek is vondstmateriaal opgeboord uit de Late-Prehistorie, vermoedelijk de IJzertijd (800-12 v. Chr.), en de Volle-Middeleeuwen(12e – 13e eeuw na Chr.).